Nikolaj Zabolotski. Kolommen en klein proza. Leiden, Fragment, 2026, 124 p. Vertaling Arie van der Ent.
Zabolotski is een beetje een vergeten Russische dichter, die nogal dikwijls in de schaduw van de vier groten begin XXe eeuw komt te staan (Achmatova, Mandelstam, Pasternak, Tsvetajeva). Deze bundel kan hem rehabiliteren. De vertaling is pittig en dartel en de vormgeving een genot voor het oog.
De vertaling begint met de integrale tekst van Zabolotski’s eersteling Kolommen (1929). De literaire bureaucraten waren niet echt verguld met deze bundel, die ze waarschijnlijk te speels en lichtvoetig vonden. Zelfs de regels ‘Maar alle vrienden stromen samen, werklui heffen aan: ‘Hoera!’. De nieuwe tijd schenkt zijn genade met borden steur, dus ga maar na!’ (p. 37 (uit ‘Het nieuwe leven’). Wellicht waren deze luilekkerverzen geïnspireerd door de NEP, toen zo goed als alles (nog) te krijgen was, maar toch vond Zabolotski geen genade in de ogen van de fanatieke proletariërs van de literatuur.
Wellicht was zijn arrestatie in 1938 toch eerder het gevolg van zijn lidmaatschap van de literaire groepering OBERIU, die er te nieuwe en originele ideeën op nahield om door de bolsjevistische betweters begrepen te kunnen worden. Maar dat is wel meer gebeurd in de proletarische eeuw – alles wat de partijbonzen boven het petje ging, werd verboden, belachelijk gemaakt of in een kwaad daglicht geplaatst. Wat overbleef, was de middelmaat van (in het beste geval) ongenietbaar krantenproza, dat nu door geen mens meer gelezen wordt (‘bergen beunhazerij waar hele boekenpakhuizen onder bezwijken’, 75).
Interessant naast de vertaling van de dichtbundel is ok het zgn. Klein Proza, o.a. ‘Het maatschappelijke gezicht van Oberioe’. Dat was een groep jonge schrijvers (Charms, Vvedenski, Zabolotski, Vaginov) die in 1926 een literaire groep oprichtten. Ze werden niet gedrukt, zodat ze het moesten doen met theaterhappenings. In 1928 publiceerden ze hun Manifest (75-79). Parallel met de politieke revolutie wilden ze een artistieke doorvoeren. Ze waren wel beïnvloed door de futuristen, maar verwierpen de zaoem-poëzie (meta-) van een Chlebnikov. In de grond pleitten ze voor absurde kunst. Logica in de kunst was niet nodig, belangrijker was natuurlijk denken (in associaties, zoals kinderen doen), zingeving zat er niet in en al evenmin orde scheppen in de chaos. De mens is vervreemd en leidt een zinloos leven. Slechts hier en daar vermoed je kritiek op actuele toestanden.
In 1930 werden ze beschuldigd van protest tegen de dictatuur van het proletariaat. De situatie werd nu gevaarlijk en sommige oberioeten doken onder in de kinderliteratuur (Charms en Vvedenski), anderen in vertalingen. Zabolotski staat zo bekend als de beste vertaler van het middeleeuwse Igorlied (het oudste werk van de Russische literatuur), het epos van de Georgische literatuur (Roestaveli’s Held in tijgervel) en van mijn landgenoot Charles de Coster invloedrijk boek over de avonturen van Tijl Uilenspiegel (in barok, aartsmoeilijk Frans). Zabolotski is de enige oberioet die de Stalindictatuur heeft overleefd. Het heeft lang geduurd (tot de jaren zestig) dat zijn lyrisch talent erkend werd.
De bundel wordt afgesloten met een vijftiental stuk voor stuk interessante ‘kanttekeningen van een vertaler’. Waarschijnlijk verbitterd schreef hij in 1958: ‘Literatuur moet de mensen dienen, dat klopt, maar de schrijver moet zelf tot die gedachte komen, en daarbij ieder van hen op zijn eigen manier, door met opvallen en opstaan zijn eigen vergissingen en dwalingen te hebben overwonnen.’ 116)
Mooi initiatief van de vertaler en de uitgever.