Nikolaj Gogol. Dode zielen. Amsterdam, Van Oorschot, 2026 (5e druk), 464 p., vert. door Aai Prins.

Wat bezielt een uitgever in Gods naam een boek heruit te geven dat in het Nederlands al drie keer vertaald is? In deze moeilijke brok Russisch hebben Siegfried van Praag, Charles Timmer en Arthur Langeveld hun tanden gezet. In 1977 is er een theaterbewerking van gemaakt. In 2014 nu is Van Oorschot gekomen met een nieuwe vertaling door Aai Prins, een voortreffelijke vertaalster van Russische literatuur. In 2019 kreeg ze de Vertaalprijs van het Letterenfonds, een verdiende prijs voor uitstekende vertalingen van Tsjechov, Platonov, Boelgakov, Pasternak e.v.a. Het is een plezier om haar vertalingen te lezen. Ze vertaalt niet zo bloemig als bv. Charles Timmer, maar haar vertaling is er niet minder genietbaar om. Dit was een eerste reden voor Van Oorschot om haar Gogol te laten vertalen.

Een tweede argument is natuurlijk dat Dode zielen een klassieker is. Van de Russische, maar ook van de wereldliteratuur. Ik lees het nu voor de vierde keer in mijn leven en vind het nog steeds genietbaar, vooral als je het traag geniet. Bij Gogol zit veel van de charme niet zozeer in het verhaal, alhoewel dat er ook mag zijn, maar eerder in de zegging: omslachtig, maar zonder te vervelen, met veel details en altijd leuk geformuleerd, meestal met nogal wat kwinkslagen, knipoogjes naar de lezer en ironie.

Het verhaal is wellicht bekend. Een Russische oplichter met de prachtige naam Tsji-tsji- kov (je moet hem maar bedenken: twee sisklanken – tsj, twee klinkers, een Russische uitgang, een onbestaande, door Gogol uitgevonden familienaam). Over die naam heeft menigeen het hoofd gebroken, sommigen gaan zo ver te beweren dat het te maken zou hebben met het Italiaanse woord ciccia (= vlees), een taal die Gogol goed kende, maar dat zou dan moeten betekenen dat de held van de roman goed in het vlees zou moeten zitten (= Dikkemans), wat niet echt het geval is. De naam zou ook afgeleid kunnen zijn van het Russische woord voor niezen (tsjichat’, tsjichnoetj), omdat Gogol geobsedeerd was door dit lichaamsdeel, een leuk resp. akelig aspect waarover ook al heel wat inkt gevloeid is. Gogol had een buiten proportie grote neus, die hij overal in stak, en die in zijn werk prominent aanwezig is, niet alleen in zijn schitterend verhaal De neus. Zijn obsessie met dit edele lichaamsdeel heeft natuurlijk aanleiding gegeven tot allerlei freudiaanse interpretaties.

Maar goed, de al dan niet dikke Tsjitsjikov (‘niet al te dik, maar ook weer niet dun’) heeft een geniaal plan uitgedacht. Hij gaat bij landheren dode boeren opkopen, dat zijn lijfeigen ‘zielen’ die sinds de laatste revisie gestorven zijn, maar waarop tot de volgende volkstelling nog belasting betaald moet worden. Tsjitsjikov koopt nu die boeren op, neemt ze over van de landheren die tevreden zijn van die niets opbrengende boeren af te zijn, hij koopt die natuurlijk voor een appel en een ei en gaat dan met de eigendomspapieren naar een bank om een grote lening te krijgen. Waarna hij met de noorderzon vertrekt (een uitdrukking die in het Russisch niet bestaat, maar een realiteit die in het land van Gogol wel vaak voorkomt). Het schijnt dat Poesjkin, tijdgenoot naar wie Gogol opkeek, hem dit snode plan aan de hand heeft gedaan, maar het zelf niet uitgewerkt heeft (gelukkig maar). Nu krijgen we heerlijke taferelen waar Tsjitsjikov de plaatselijke landheren bezoekt om hun dit knotsgekke plan voor te leggen, over de bank en de lening zegt hij natuurlijk geen woord. Hij komt terecht bij Nozdrjov, een praatzieke blaaskaak en leugenaar, Korobotsjka, de krenterige en achterdochtige oude muis, Sobakevitsj, de bruut, Manilov, de zeemzoete. Op een bepaald moment loopt het mis: de kletskous Nozdrjov komt roet in het eten gooien en het hele opzet verraden. Tsjitsjikov kiest het hazenpad. Einde van het epos, einde van de grandioze fraudeoperatie.

De personages die Gogol ten tonele voert, zijn stuk voor stuk zielenpoten: luie, stinkende bedienden of koetsiers, kleine boeren of landeigenaars, niemand ontsnapt aan zijn ironie. Opvallend is wel dat Gogol nooit de instelling zelf, de lijfeigenschap, kritiseert. Het was het ambitieuze plan van Gogol een drieluik te schrijven, geïnspireerd op Dantes Divina commedia: hel, vagevuur, paradijs. In deel I had hij de hel uitgebeeld, zo je wil – de hel van het tsaristische Rusland van de lijfeigenschap, nu moest hij het vagevuur uitbeelden en later het lichtende paradijs. Deel II van het epos doet een poging in die zin, maar de weinige fragmenten die bewaard zijn gebleven, zijn saai en konden me niet boeien. Het is mooi dat alles is opgenomen in deze vertaling, ook de varianten en het door de censuur geschrapte hoofdstuk over kapitein Kopejkin. Toen Gogol zijn epos afwerkte, maakte hij een religieuze crisis door, hij wilde nu een morele boodschap in zijn werk leggen (volgens Lev Tolstoj, zelf groot moralist, ‘gruwelijke, weerzinwekkende onzin’) en daardoor ging de spontaniteit verloren. Ten einde raad verbrandde Gogol zijn manuscript.

Merkwaardig is dat deze roman (‘poëem’ in zijn bewoording) door tijdgenoten op de meest uiteenlopende manier gelezen en geïnterpreteerd werd. Volgens de enen was het een kritiek op de lijfeigenschap, volgens anderen een loflied op het tsaristische Rusland. Wat ook de bedoelingen van Gogol geweest mogen zijn, Dode zielen is een geniale schelmenroman over een originele Russische oplichter, die alleen in de 20e eeuw zijn opvolger vindt – Ostap Bender in De twaalf stoelen (1927).

Rond de figuur van Nikolaj Gogol is de laatste jaren nogal wat te doen geweest. Hij is geboren in (de) Oekraïne, kende Oekraïens (zijn vader schreef toneel in de ‘Klein-Russische’ volkstaal), hij heeft talloze Oekraïense woorden in het Russisch geïntroduceerd en is doorgebroken met de verhalen Avonden op een dorp bij Dikanka, een verzameling spook- en horrorgeschiedenissen die zich in l’Ukraine profonde afspelen. Voor de Oekraïners, die sinds 2022 nogal wat te verduren hebben van hun grotere broer-buur, is hij een Oekraïner en een verrader die in het Russisch schreef. Hij wordt nu in Oekraïne gelezen in Oekraïense vertaling! De fervente oekraïnofiel Arie van der Ent zou hem willen introduceren in ons taalgebied als Mikola Hohol, maar dat lijkt me geen goed idee. We moeten ons niet mengen in die ‘interne broedertwist’ (om het met Poesjkin te zeggen) en de twee buren het onder elkaar laten uitvechten. Hoe je het ook draait of keert, Gogol schreef in het Russisch, net zoals Emiel Verhaeren of Maurice Maeterlinck in het Frans schreven.

Het is de verdienste van Aai Prins en Van Oorschot dat ze deze prachtige schrijver weer onder onze aandacht brengen en ons enkele uren onvergetelijk leesplezier bezorgen.