Michail Epstejn. Pered kontsom istorii ? Grani roesskogo antimira [Voor het einde van de geschiedenis ? Aspecten van de Russische anti-wereld]

Michail Epstejn. Pered kontsom istorii ? Grani roesskogo antimira [Voor het einde van de geschiedenis ? Aspecten van de Russische anti-wereld]. New York, Freedom Letters, 2025, 273 p.

De auteur is een bekende Russisch-Amerikaanse literatuurwetenschapper, semioticus, cultuurhistoricus, en heeft veel boeken op zijn naam staan (o.a. Postmodernisme in Rusland). In 1992 verhuisde hij naar de Verenigde Staten, waar hij doceert aan de Emory University (Atlanta).

Zijn pas verschenen boek is een reflectie op 24 februari 2022 en de atmosfeer in Rusland sinds 2014, de annexatie van de Krim door Rusland. Hij begint met het boek van Francis Fukuyami The End of History and the Last Man (1992). Het einde van de geschiedenis betekende voor hem de ineenstorting van het totalitaire project marxisme. Aan de ideeënconflicten zou een einde gekomen zijn : de liberale democratie had het gehaald als definitieve regeringsvorm. Het Westen had getriomfeerd.

Niemand kon verwachten dat een nieuwe vorm van totalitarisme het land in zijn greep zou krijgen dat nog maar pas zijn juk had afgeschud en zichzelf zou aanduiden met de letter Z, als teken van het einde. En dat met een letter die in het Russisch niet bestaat ! De oorlog die daarop uitgebroken is tussen Rusland en Oekraïne noemt de auteur ‘een politiek absurd, zelfdestructief en daarom metafysisch raadselachtig verschijnsel’ (9). In de jaren van Poetins derde termijn als president (sinds 2012) zoekt Rusland naar een identiteit, maar die blijkt negatief te zijn en wordt aangeboden door Roesski Mir (de Russische wereld), de belangrijkste idee van het eigentijdse Rusland, en de uitbreiding van die wereld als het hoofddoel van de staat. Volgens Epstejn is dit idee, in vergelijking met de voorgaande staatsideeën (het Derde Rome, orthodoxie-autocratie-nationalisme, communisme, klassenstrijd, proletarisch internationalisme, wereldrevolutie, reëel socialisme) arm en zonder inhoud. Het doel is uitbreiding omwille van de uitbreiding, de vraag is alleen in naam waarvan. Volgens patriarch Kirill, hoofd van de Russisch-Orthodoxe kerk, is het sleutelbegrip van de Roesski Mir traditie. Maar welke traditie – die van isolatie en autarkie of die van openheid naar het Westen ? De traditie van de opritsjnina (het geweld onder Ivan de verschrikkelijke) of van de Verlichting ? Van het Derde Rome of van de Derde Internationale ? De kerkelijke traditie of de atheïstische ? Uitbreiding is dus een doel op zichzelf. En inderdaad de Roesski Mir biedt geen enkele motivatie – noch religieus-wereldbeschouwelijk, noch sociaal-economisch. De Oekraïne is het slachtoffer geworden van de Russische Wereld, alhoewel het zich niet principieel van Rusland onderscheidt – het is orthodox en kapitalistisch.

Rusland heeft zich altijd omringd ‘gevoeld’ door vijanden – ketters, ongelovigen, niet-christenen, Joden en vrijmetselaars, kapitalisten, anticommunisten, antisovjetelementen, russofoben – en het positioneert zich tegenover de rest van de wereld, en komt in opstand tegen de wereldorde, terwijl het zelf niet in staat is orde te scheppen in eigen land. ‘Dit land daagt iedereen uit, ergert, vernedert, maar bij dit alles is het niet in staat om een eigen beschaving tot stand te brengen, waartoe andere landen zich aangetrokken zouden kunnen voelen.’ Het huidige Russische regime heeft de wereld niets anders te bieden dan ‘vernieling, geweld, diefstal, leugen, criminaliteit, totale militarisering en de dreiging heel de planeet te vernietigen’ (213). Er is een anti-samenleving ontstaan die gebaseerd is op beginselen die diametraal tegenovergesteld zijn aan de beginselen die een beschaving tot ontwikkeling kunnen brengen. Men dekt elkaar in de leugen, de diefstal, het geweld, het overtreden van alle wetten (18-19). Tegenover het ideaal van de 19e-eeuwse slavofielen van sobornost (samen-leven, samen-streven) is sovornost (samen-stelen) gekomen.

Als professor werd Epstejn vaag geconfronteerd met de vraag van studenten waarom Rusland zo ongelukkig is en waarom het andere landen ongeluk brengt ? Soms geeft men het harde klimaat op als verklaring, de lange winters die de ontwikkeling van beschaving in de weg zouden staan. Maar het voorbeeld van het nog noordelijker gelegen Finland en Scandinavië weerleggen deze verklaring. Soms noemt men Rusland ‘een veel geleden hebbend land’, dat is zijn hemelse lot, zijn christelijke voorbestemming. Maar kan een land dat miljoenen van zijn burgers heeft vermoord en over de enorme territoria van Europa en Azië de Goelag heeft gebouwd als voorbeeld dienen voor christelijke deugd (24) ? Volgens Epstejn is een van de belangrijkste oorzaken van Ruslands ongeluk – de grootheid van zijn territorium en het daarmee samenhangende gevoel van eigen grootheid. Al in 1839 waarschuwde de slavofiel Chomjakov zijn landgenoten hier niet aan toe te geven (‘Geloof het niet, luister er niet naar, wees er niet trots op !’). Rusland is territoriaal vervloekt. ‘Dronkenschap, diefstal, corruptie, luiheid, leugen, geweld – dat zijn slechts de vele vormen van leegheid en van het afgekeerd zijn van de concrete arbeid van het leven : er is geen hard begrip over eigendom, over realiteit, over waarheid, vrijheid, individualiteit, over burgerplicht of menselijke waardigheid.’ (27)

Onder Poetin richt het land zich op zijn verleden (archeocratie), gooit het raam naar het Westen dicht en rakelt de idealen van het prepetrinische Moskovië (= geïsoleerd van het Westen) weer op. Onder Poetin werd het Sovjetvolkslied weer in ere hersteld, werd de feestdag van de Eenheid van het Volk uitgeroepen (herinnert aan 1612 – de verdrijving van de Polen uit Moskou in 1612), als grootste man van Rusland werd Aleksandr Nevski uitgeroepen (13e eeuw, de man die Rusland uitleverde aan de Gouden Horde). Is er dan in de laatste vierhonderd jaar geen enkele geleerde, schrijver, componist of veldheer deze naam waardig ? In 2009 had de toen nog liberale president Medvedev het over ‘Rusland vooruit !’, maar met de terugkeer van Poetin werd de klok teruggedraaid en werd de leuze ‘Rusland terug naar het verleden !’ Terwijl de Sovjetunie als een utopie werd uitgebouwd, gericht op de toekomst, verdwijnt het postsovjetse Rusland in een uchronie (tijdeloosheid, de stilgelegde wereld).

Sinds 2014, het begin van de inval in Oekraïne, omringt de Roesski Mir zich met nieuwe rituelen, vooral dat van de dood. Zelfs schoolkinderen worden in een militair uniform gestopt, kinderwagens worden nu gemaakt in de vorm van tanks, er worden parades van kinderen gehouden. Jong-armisten, die deel uitmaken van de Alrussische Patriottische Beweging, krijgen privileges als ze naar het hoger onderwijs gaan. De samenleving ondergaat een tanatalisering, de toename van het instinct van de dood, dat het wint van het instinct van de liefde (eros). Daarom ziet Epstejn het doel van deze oorlog als de militarisering van de Russische samenleving, het land is bezeten van de dood. Men wil de mensen vertrouwd maken met de oorlog en dus met de dood. Het leven is zinloos, heeft geen sociale of creatieve impulsen. Veel vooral jongere mensen zien de oorlog, de kans op dood, als een haalbaar doel. Zoals iemand het zei : ‘Ik ben 35 en een totale loser, dit is mijn laatste kans’. De autoriteiten gaan gewiekst in op deze leegheid en inertie van het leven in Rusland om het begrip ‘dood voor het vaderland’ vertrouwd te maken (37). Velen zijn zelfs doordrongen van ontocide (dood van wat bestaat), de totale vernietiging van alles wat bestaat, de oorlog tegen het bestaan als zodanig. De auteur spreekt niet alleen van de genocide, de zoocide en ecocide, maar zelfs van de ontocide (45). Door dit alles is Rusland een paria geworden en wordt het vergeleken met Noord-Korea of Iran, met dit verschil dat zij naburige landen niet bombarderen, geen steden en dorpen van de aardbol doen verdwijnen, vrouwen en kinderen niet vermoorden of geen misdaden tegen de mensheid begaan. Rusland was een supermacht, het is een anti-macht geworden (49). Het is gewend geworden aan de geur van bloed – eerst Tsjetsjenië, dan Ossetië en Abchazië, de Krim en de Donbas, daarna Syrië en nu heel Oekraïne. De Russische samenleving is in de ban van een ‘eschatologische extase’ (55).

Dostojevski, Tsjechov, Tsjajkovski, Mendelejev – allemaal grote namen, maar wat is het volk ermee ? De auteur pleit er daarom voor niet Poesjkin, Gogol of Dostojevski te veroordelen wegens hun imperialistische instincten, maar ‘de inertie te doorbreken van het luisteren naar de klassiekers als de ‘grote leraren van het leven’. Wat nodig is, is afstand ten overstaan van onze cultuur : haar niet afschaffen, maar wel breken met onze onderdanige, gehoorzame houding tegenover haar’ (59). De auteur roept er toe op kritisch te staan tegenover bekende uitspraken van bv. Poesjkin over de innerlijke vrijheid van de mens (de kunstenaar) tegen de tirannie (124). Dit is voor hem ‘verheven zelfbedrog’, dat de monarchie en het communisme overleefde en de 21e eeuw gehaald heeft (129).

De auteur omschrijft het huidige regime in Rusland als een ‘schizofreen fascisme’ (61), dat is fascisme onder het masker van strijd tegen het fascisme. Het is een gespleten wereldbeschouwing, een soort parodie op het fascisme, maar een ‘ernstige, gevaarlijke, agressieve parodie’. Die gewelddadige, totalitaire levensbeschouwing is schizofreen want gebruikt dezelfde weldaden die de ‘vijand’ heeft : eigendom in het buitenland, kinderen naar het buitenland (‘Gayropa’) sturen om er te studeren, buitenlandse rekeningen, vakantie aldaar e.d. Schizofrenie ook in de houding tegenover Oekraïne : de meeste mensen willen vriendschap met Oekraïne, maar keuren wel goed dat het land vernietigd wordt. In Russische scholen wordt humanisme bijgebracht, men leest er de klassieke literatuur die bekendstaat om haar medelijden met de kleine man. In alle winkels liggen bijbels en heiligenlevens, gelovigen en geestelijken bidden elke dag, maar dit belet hen niet te stemmen voor de oorlog, duizenden onschuldige broeders in het geloof te vermoorden, hun leider te verheerlijken die hen aanzet tot vijandschap met de rest van de wereld. ‘Hoe kan één en dezelfde mond Christus en de führer verheerlijken ?’ (63).

Het openbare leven is helemaal doordrongen van de leugen, maar dan van openlijke leugen. De propaganda gaat ervan uit dat die bij het volk in de smaak zal vallen, als hij maar ‘van ons’ is (68). Het is patriottische leugen. Op 10 maart 2022, twee weken na de inval, verklaarde Lavrov, minister buitenlandse zaken : ‘We zijn niet van plan andere landen aan te vallen, we hebben ook Oekraïne niet aangevallen’. Of patriarch Kirill op 3 mei 2022 : ‘Wij willen met niemand vechten… Rusland heeft nooit iemand aangevallen’. De waarheid is omgeslagen in anti-waarheid, men demonstreert openlijk zijn afkeer voor de waarheid en voor heel de wereld (69). Waarom ? Men gaat de autoriteiten niet respecteren, wanneer ze gewoon oproepen tot expansie. Daarom zeggen ze dat ze de wereld beschermen tegen de junta en de fascisten. Voilà, nu respecteert het volk ons (70).

Hoe staat de kerk tegenover dit alles ? De orthodoxe kerk staat pal achter de oorlog, achter Poetin, en zegent zelfs de wapens en de soldaten die er mee ten oorlog trekken tegen Oekraïne. Zelfs kernwapens worden goedgekeurd én gezegend. Vlakbij een van de heilige plekken van de orthodoxie (Sergiëv Posad) staat een enorm complex waar biologische wapens geproduceerd worden en in 2020 werd de kerk van de Strijdkrachten van de Russische Federatie ingewijd, een somber en angstaanjagend gebouw. Zelfs de terreur onder Stalin heeft een theologische rechtvaardiging gekregen. De slachtoffers van Stalins schrikbewind zouden door hun onschuldige heldendood de weg naar het paradijs hebben gevonden. En voor sommigen zullen zij vanuit de hemel bidden voor de mensen nu op aarde. Stalin was dus een soort redder of weldoener (99-100). In 2018 zei Poetin letterlijk over de gevolgen van een kernaanval : ‘Wij zullen als martelaren in het paradijs terechtkomen [horen we hier de stem van het islamitisch fundamentalisme?], terwijl zij gewoon zullen creperen, omdat ze zelfs geen tijd zullen hebben om berouw te tonen’ (103). Heel dit religieus hocuspocus wijst op een sacromanie, een bezetenheid van zijn eigen heiligheid en van de heiligheid van zijn principes en overtuigingen (105). Volgens Epstejn is dit erger dan fanatisme : een fanaticus is bereid om zichzelf op te offeren voor zijn overtuigingen, maar de sacromaan offert alleen de anderen op (106).

In deze nieuwe staatsreligie (de religie van de oorlog) vinden we een mengelmoes van orthodoxie, oudgelovigendom (sectarisme van de 17e eeuw), fascisme, euraziatisme, Russisch nationalisme, apocalyptisch sectarisme, etatisme, imperialisme en milleniarisme. Een grote rol in dit alles speelt Aleksandr Doegin, de denker van het Kremlin, die naar aanleiding van de invasie van het Russische leger in de Krim en de Donbas tot zijn studenten zei : ‘Doden, doden en nog eens doden. Verder moet daar niet over gepraat worden. Dat is wat ik als professor ervan vind’ (112). Zijn opvattingen zijn terug te vinden in zijn boeken De beginselen van het euraziatisme en De beginselen van de geopolitiek en worden bijgebracht aan de hoogste echelons van de generale staf. Zijn wereldbeschouwing noemt hij nu eens euraziatisme, nationaal-bolsjevisme, dan weer integrale revolutie, Grote Traditie, rechtse revolutie. De apocalyps moet niet vermeden worden, integendeel : ‘We moeten niet nadenken over de vraag of het einde van de wereld komt of niet komt, maar we moeten eraan denken hoe we die moeten bewerkstelligen. Vanzelf komt die niet… We moeten zelf die beslissing nemen. Wat meer is, we moeten een manier vinden om deze geschiedenis af te sluiten.’ (117) Universele zelfmoord dus. Een geestelijke riep zijn gelovigen ertoe op geen schrik te hebben voor een kerncatastrofe en herinnerde eraan dat christenen vroeger ‘met blijdschap wachtten op het einde van de wereld dat het Rijk Gods dichter zou brengen’ (121). M.a.w. ‘de aanstokers van een kernoorlog zijn de Allerhoogste welgevallig en voeren, zoals de heiligen, zijn wil uit’ (121). ‘De leider baant de weg naar dit doel en de geestelijkheid geeft zijn zegen’ (122).

Het sociaal-politieke regime dat nu in Rusland heerst, noemt Epstejn ‘richel’ (goot, het tuig van de richel, de kleine criminelen). Heel het politieke en sociale leven is doordrongen van de richel : richel-diplomatie, richel-politiek, richel-journalistiek, richel-televisie, richel-religie (die van de orthodoxie de religie van de oorlog probeert te maken), richel-sport, richel-wetenschap en richel-kapitalisme.

Na zo’n deprimerend beeld van de Russische samenleving rijst vanzelf de vraag of het land nog te redden valt. Volgens de auteur ligt de enige redding van Rusland misschien in het uiteenvallen van het land in verschillende Ruslanden. Dit deel van zijn betoog overtuigt me het minst van allemaal. Ook in de jaren 1990 werd veel gespeculeerd over separatisme, maar het heeft geen kans gekregen (cf. de twee Tsjetsjeense oorlogen).

De auteur citeert de Russische schrijver Joeri Nagibin die in 1994 schreef : ‘Wat wordt het met Rusland ? Niets, gewoonweg niets. We krijgen steeds dezelfde onbepaaldheid, deining, moeras, het opduiken van negatieve hartstochten. Dat in het beste geval. In het slechtste – fascisme. Is dat echt mogelijk ?… De grootste schuld van het Russische volk is dat het altijd onschuldig is in eigen ogen. Wij hebben nergens berouw over. Misschien wordt het tijd om eens op te houden onszelf voor de gek te houden, te beweren dat het Russische volk de speelbal was en is van krachten die buiten hem liggen…? Comfortabele, sluwe, gemene leugen. Alles in Rusland is gedaan door Russische handen, met instemming van de Russen, zelf hebben we graan gezaaid, zelf hebben we de touwen ingezeept. Noch Lenin, noch Stalin zouden ons noodlot geweest zijn, indien wij dat niet gewild hadden.’ (197)