Margot Dijkgraaf. Germaine de Staël. Schrijver, balling en feminist avant la lettre . Amsterdam-Antwerpen, Atlas Contact, 2026, 334 p.
Twee figuren van de late 18 e , vroeg 19 e eeuw die in ons taalgebied zo goed als vergeten zijn, zijn Germaine de Staël en prins de Ligne. De Belgische prins Charles-Joseph de Ligne is enkele jaren geleden aan de vergetelheid onttrokken door de vertaling van zijn memoires en van zijn brieven aan markiezin de Coigny (vanuit Rusland in 1787), allebei in een voortreffelijke vertaling van Marijke Aris (2020, 2021). Zijn vrouwelijke tijdgenoot Germaine de Staël heeft nu een uitvoerige biografie gekregen die ten volle recht doet aan deze veelzijdige, intrigerende vrouw (1766-1817).
Ze was de dochter van de Zwitserse bankier en minister van financiën onder Lodewijk XVI (geen benijdenswaardige job!) Jacques Necker, die de Franse koning probeerde te overtuigen van de noodzaak grondige hervormingen door te voeren om het land te redden van de ondergang. Het heeft niet gebaat – absolutistische vorsten luisteren niet en gaan dan maar ten onder. Necker wilde transparantie (een 20 e -eeuws woord dat in het Ancien Régime onbekend was), een zuiniger overheid en vond de belastingen voor de derde stand veel te hoog. Heel modern vond hij dat de rijken belasting moesten betalen (wat ze niet deden). Hij pleitte voor sociale rechtvaardigheid. Net zoals zijn dochter later, was hij een voorstander van een constitutionele monarchie en dus politiek anglofiel. Het hoeft geen betoog dat zijn visie geen kans maakte bij de koppige Lodewijk.
Zijn dochter had het geluk een rijke vader te hebben en een mooi fortuin van hem geërfd te hebben, zodat ze zich haar hele leven onafhankelijk kon gedragen, los van een bazige echtgenoot (61). De dochter van deze rijke en vooruitstrevende vader en moeder die er een salon op nahield, was, in de woorden van haar biograaf, ‘een uitzonderlijk getalenteerde vrouw, een schrijver, een filosoof, een snelle denker, een liberale geest met de vrijheid hoog in het vaandel, een vrouw met een verbluffend retorisch talent, een reporter avant la lettre, een leergierig multitalent’ (20). Geen onaardige inleiding op een biografie – al de opgesomde eigenschappen worden in de loop van het boek uitvoerig toegelicht. Ze schreef romans die immens populair waren (niet alleen in Frankrijk) en soms schandaal veroorzaakten, omdat ze voor die tijd controversiële ideeën bevatten. Margot Dijkgraaf vindt haar ook actueel : ze schreef over de positie van de vrouw, over Europa, over slavernij of over de rol van de literatuur dingen die nu nog publiceer- en genietbaar zijn (22). Bovendien was ze een brugfiguur tussen de Verlichting (18 e eeuw), die het van de rede moest hebben, en de Romantiek (19 e ), waar emoties en het individu centraal staan. Uitzonderlijk is dat ze het opnam voor Duitsland en de Duitse literatuur, die toen zo goed als onbekend was in Frankrijk, dat zich immers als het centrum van de beschaving zag. In 1803 reisde ze naar Duitsland (niet echt uit vrije wil – ze werd door Napoleon verbannen), probeerde het Duits onder de knie te krijgen en leerde grote en voor die tijd invloedrijke mannen kennen – Goethe (de incarnatie van de Duitse ziel), Wieland, Schlegel, Schiller. Haar belangstelling en fascinatie voor de Duitse literatuur verwoordde ze in De l’Allemagne , dat voor de doorbraak van de Duitse literatuur in Frankrijk zorgde, maar haar toch het verwijt opleverde anti-Frans te zijn en dat haar later veel ellende zou bezorgen (Napoleon was kwaad omdat hij er niet in voorkwam). Haar kennismaking met Duitsland deed haar openstaan voor andere landen en culturen en aandacht besteden aan nationale verschillen of wat men toen nationale eigenheid noemde. Bijgevolg zag ze ook het belang van vertalingen in, waarbij ze beslist gestimuleerd werd door August Wilhelm Schlegel, die ze in 1804 leerde kennen in Weimar, en die behalve literator ook criticus, vertaler, filosoof en filoloog was en een van haar aanbidders werd. Ze zou ook naar Italië reizen, een land dat in de vroege 19 e eeuw een beetje uit de mode was, en waar ze een roman over schreef ( Corinne ou l’Italie ), een romantische, maar mislukkende liefdesgeschiedenis tussen een losse Italiaanse en een stijve Brit.
Wat je in alle biografieën over deze vrouw terugvindt, is haar aantrekkingskracht op mannen. Alle mannen vielen voor haar, alhoewel ze niet bijzonder mooi was. Sommigen vonden haar zelfs lelijk en onhandig. Maar daar stond tegenover dat ze een enorme joie de vivre en energie uitstraalde, die ook vrouwen aantrok. Ze werd ook wel eens afgeschilderd als manvrouw en dus bespot. Een beetje bevreemdend is dat ze met ene John Rocca trouwde (in het geheim), een man die in de verste verte niet kon tippen aan haar intellectuele eigenschappen, net zoals haar eerste man, de Zweedse diplomaat Erik Magnus de Staël Holstein. Een van haar oneliners heeft betrekking op die saaie protestant : ‘Van alle mannen van wie ik niet houd, geef ik nog de voorkeur aan mijn man.’ Ze zou er uiteindelijk van scheiden, nadat ze al meerdere relaties met andere mannen had gehad en van hen kinderen, die door haar wettige echtgenoot aanvaard werden.
Een uitzondering voor de doorgaans ééntalige Fransen is ook haar grote belangstelling voor talen. Behalve de toen universele taal Frans, leerde ze ook Zweeds en Duits en natuurlijk Engels (waar ze mee worstelde), de taal van haar verafgode Engeland. De meest in het oog springende eigenschap van Germaine de Staël was haar conversatietalent. In de salons – dat van haar moeder en het hare – was het een ware kunst, je werd pas au sérieux genomen als je de esprit de conversation beheerste. Het sleutelwoord is ‘esprit’, dit is een kritische geest die snel van begrip is, interessante gedachten formuleert, openstaat voor nieuwe ideeën, die goed kan formuleren en die tegen algemeen aanvaarde opvattingen ingaat (37-38). In die zin doet ze denken aan haar tijdgenoot prins de Ligne, die eveneens uitblonk in het onnavolgbare genieten van geestrijke conversatie die vaak provocerend is. Ze was dan ook extravert, uitbundig, liberaal denkend en ‘losbandig’, een vrouw die alle conventies aan haar laars lapte (natuurlijk wel een privilege van de adel). Ze was bezeten van politiek en van discussiëren over politiek en wordt wel eens ‘de moeder van het liberalisme’ genoemd en als dusdanig de tegenspeelster van Napoleon.
Aan dit laatste wordt veel aandacht besteed in deze biografie en terecht. In het begin bewonderde de Staël de Corsicaanse generaal, in wie ze een geestverwant dacht te herkennen. Maar Napoleon hield niet van femmes savantes en al zeker niet van vrouwen (eventueel mooie) die zich met politiek bemoeiden. Germaine hoopte zijn adviseur te kunnen zijn, maar de misogyne politicus hield niet van intelligente en invloedrijke vrouwen. Kortom, hij had een hekel aan haar en verbande haar, eerst uit Parijs, later uit Frankrijk (1803). Ze zou tien jaar rondzwerven buiten Frankrijk. Het zal het interessante boek Dix années d’exil opleveren. Ook zijn vrouwonvriendelijke «Code civil» zal niet bijgedragen hebben aan een betere verstandhouding met de liberale feministe. En later zou ze helemaal balen van zijn machtsgeilheid (de macht van één persoon) en het begin van een politiestaat. Napoleon was zo gebeten op mevrouw de Staël dat hij haar permanent in de gaten liet houden en liet bespioneren. Niet ten onrechte, want ze was nu een uitgesproken tegenstander van de alleenheerser met zijn ‘universele monarchie’, ‘de grootste plaag die de mensheid kan bedreigen en de oorzaak van eeuwige oorlog’ (266). Even beroemd is de oneliner van Napoleon : ‘Ik heb drie vijanden – Rusland, Engeland en madame de Staël’. Een geweldig compliment.
Dit alles is nog maar een fractie van wat in deze biografie allemaal aan bod komt. Je slaat met plezier de bladzijden om, ze zijn goed geschreven, in een verzorgde, rijke taal, de Franse citaten worden zo goed als allemaal vertaald (voor Nederlanders blijkbaar een must), de bronnen en getuigenissen die Margot Dijkgraaf citeert, zijn talrijk en verscheiden en hangen een veelzijdig, genuanceerd beeld op van deze interessante vrouw. Hier en daar een tikkeltje te hagiografisch – zo’n gemakkelijke tante zal de Staël wel niet geweest zijn, egocentrisch en belust op belangstelling als ze was.
Ik heb maar twee bezwaren. Na elk hoofdstuk citeert de biograaf uit een brief van Germaine de Staël, maar die gaan heel dikwijls over onbenullige aangelegenheden als reisroutes, geld, paspoorten, al dan niet aan haar geheime echtgenoot John Rocca. Ik vind het ook jammer dat ze wel prins de Ligne vermeldt (twee keer), maar niet dat de Staël een selectie maakte uit zijn (grafomane) geschriften, er de taalfouten uit haalde (!) en publiceerde en er een lovend voorwoord voor schreef, waardoor de Ligne een beroemd schrijver werd ( Pensées du maréchal prince de Ligne , Parijs 1809) en haar redactioneel werk een kassucces.