Christian de Borchgrave. Joris Van Severen. Van katholiek naar fascist. Ertsberg/Standaard Uitgeverij, 2025, 390 p.
Van Severen is in Vlaanderen geen onbekende figuur als stichter van het Verdinaso, de eerste fascistische beweging in Vlaanderen. Je zou kunnen stellen dat hij geluk heeft gehad in 1940 de dood te hebben gevonden, zodat hij met de inval van de Duitsers niet de keuze hoefde te maken tussen collaboratie of verzet. En het is helemaal niet zeker dat hij in de collaboratie zou zijn gestapt.
De auteur besteedt uitvoerig aandacht aan de opvoeding van de jonge Van Severen, vooral dan in het Gentse jezuïetencollege Sint-Barbara, dat hij ‘een burcht van middeleeuws geloof’ (34) en tegelijkertijd een ‘broedplaats voor flamingantisme’ (38) noemt. Terecht, want de opvoeding die hij hier kreeg en heel het katholieke klimaat in het interbellum was onverdraagzaam, strijdvaardig en in oorlog met alles wat maar enigszins naar ‘moderniteit’ rook. Zijn flamingantisme was een daad van idealisme en verzet tegen de bestaande toestand van negeren-kleineren-onderdrukken van het “Vlaams” ten gunste van het Frans, de werktaal van het college. Merkwaardig genoeg was het onderwijs in die tijd ook sterk gericht tegen Frankrijk, dat al sinds het einde van de 19e eeuw uit den boze was als oord des verderfs. Zelfs de Franstaligen in België waren vaak anti-Frans (Franstaligheid was in hun ogen Frans atheïsme). Maar Van Severen wilde meer dan alleen maar de ontvoogding van het Vlaamse volk, hij wilde heel de samenleving reorganiseren en dit met als basis het solidarisme. Solidariteit tussen werkgevers en werknemers, meesters en knechten, dus harmonie tussen de klassen. Weg met het socialisme, geen klassenstrijd, maar juist klassenverzoening (48). Zijn voorbeeld was Albrecht Rodenbach, de bezielende figuur van de 19e-eeuwse katholieke Vlaamse studentenbeweging (ook wel ‘Blauwvoeterij’ genoemd). Van Severen wilde zijn krachten wijden aan God en het Vlaamse volk. Hij werd ook geïnspireerd door de Franse heimatschrijver Henry Bordeaux, auteur van La peur de vivre – met zijn lofzang op de vaderlandse bodem (Blut und Boden), de familie en de traditionele morele en godsdienstige waarden (51). Uit Vlaamse overtuiging veranderde hij zijn voornaam Georges in Joris.
De sociale en religieuze revolutie die het land zou moeten doormaken, zou niet door geweld, maar door kunst en literatuur bewerkstelligd worden (65). Veel heil zag hij evenwel niet in de oorlog (1914-1918), terwijl vele intellectuelen daar een totaal nieuwe wereld van verwachtten en enthousiast ten oorlog trokken. Van Severen was antimilitarist en internationalist. De lectuur van de pacifisten Lev Tolstoj, Rabindranath Tagore, Romain Rolland en Henri Barbusse zullen dit nog in de hand gewerkt hebben. Dit belette natuurlijk niet dat hij in 1914 gemobiliseerd werd. Hij deed aan het Front een grondige aversie op tegen de Franstalige officieren, alhoewel hij zelf uitstekend Frans sprak. In 1917 was hij een van de leiders van de zgn. Frontbeweging, opgericht door Vlaamse intellectuelen die de taaltoestanden in het Belgische leger beu waren.
Na de oorlog wilde hij ‘alles voor Vlaanderen’, maar voor welk Vlaanderen ? (82) Voor hem was dat ‘de natie als een natuurlijke, organische volksgemeenschap met een unieke geschiedenis en cultuur’ (82). De gebeurtenissen in Rusland in 1917 maakten hem (voor een tijdje) enthousiast voor de weg die Rusland dacht op te gaan. Hij pleitte voor theocratie, ‘voor een middeleeuws Vlaanderen, ’t Vlaanderen der kathedralen, der mystieke, der integrale geest’ (85). Een tijdje speelde hij met het idee monnik te worden, maar daarvoor werd hij te veel aangetrokken tot het volle leven, vooral dan het liefdesleven (‘Lust trekt me hevig aan. Ik voel het kwaad der zonde niet’, 94). In de jaren die volgden, zou blijken dat de discrepantie tussen compromisloos katholicisme en leven als bohemien niet te overbruggen was. De ervaring in de oorlog zullen hem evenwel tekenen voor het leven en hem voortjagen op het pad van het fanatiek flamingantisme. In de zoektocht naar een nieuwe maatschappij vond hij democratie waardeloos (het volk is immers een ‘onverstandige, driftige massa’, 107), maar was een echte ‘omwenteling’ (112) nodig. Tegen 1920 waren zijn ogen opengegaan voor de ware aard van het bolsjevisme : het was antigodsdienstig en dus vals (113). Weer een illusie begraven. Wel begon hij na te denken over een samengaan met Nederland (een unie met Nederland), het begin van zijn zgn. Groot-Nederlandse beweging. Merkwaardig genoeg bleef Van Severen zich inspireren door Franse schrijvers, wat hem van nogal wat flaminganten vervreemdde.
Van 1921 tot 1929 was hij lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, maar hij bleef een tegenstander van de ‘tirannie der massa’ (12) en met het democratische bestel en de macht die de partijen daarin uitoefenden. Alleen het solidarisme kon z.i. orde en vrede brengen in Europa (134). Hij kreeg nogal wat kritiek te verduren : moe maakte hij zich niet in zijn hoedanigheid van volksvertegenwoordiger, hij was (te) francofiel, te aristocratisch en antidemocratisch (135). Hij werd met de jaren een aanhanger van het zgn. intransigentisme (ook wel integrisme genoemd), een alomvattend katholicisme, waarin kerk en staat samen zouden werken aan het geluk van de bevolking met aan het hoofd de monarch. De politieke vertaling ervan was het ultramontanisme. Hieraan was niet alleen antikapitalisme gekoppeld, maar ook antiprotestantisme en antisemitisme (139). Populair was ook het corporatisme, de zgn. derde weg – geen liberalisme, geen socialisme, maar maatschappelijke vrede. In zijn intransigent-katholieke opvattingen zou geen plaats meer zijn voor democratie, ook niet voor christendemocratie (149). Het solidarisme dat hij voorstond, was elitair en door en door antidemocratisch (150). En rond dit solidarisme wilde hij alle Nederlandssprekenden van Friesland tot Calais verenigen (154).
Toen in 1928 het AVNV (Algemeen Vlaams Nationaal Verbond) werd opgericht, stelde Van Severen dat de beweging over een eigen militie moest beschikken en verwees daarbij naar Lenin, Mussolini (de zwarthemden) en Atatürk. Hij onderhandelde met het oog op de stichting van een Vlaamse, zelfs Groot-Nederlandse nationaalsolidaristische beweging (182). Het blad van de beweging Hier Dinaso ! benadrukte dat Dietse nationaalsolidaristen geen fascisten of nationaalsocialisten waren , maar toch keek hij op naar Mussolini en had hij goede hoop (in 1933) in wat Hitler met Duitsland zou doen. Het blad was niet vies van antisemitische uitlatingen, die ze geërfd hadden van de katholieke kerk (de rijke Joodse kapitalisten als onderdrukkers van de christenen) en een politiek antisemitisme (de liberale en communistische Joden zouden de wereld overheersen). Zelfs raciaal antisemitisme werd hier en daar door priesters openlijk gepredikt (189).
Manifestaties van het Verdinaso – mét knokploegen – werden beantwoord door tegendemonstraties, zo door socialistische en communistische militanten.
In 1934 maakte Van Severen de grote ommezwaai. Hij wilde voortaan de macht in België en Nederland veroveren om er dan de ene Dietse staat te vestigen (201). Daarop besloot de Duitse ambassade in Brussel dat het beter was voortaan samen te werken met het VNV (Vlaams Nationaal Verbond), temeer omdat Van Severen geen Duitse inmenging in Dietse aangelegenheden wilde. Bovendien stak hij de hand uit naar Wallonië, wat het einde betekende van zijn radicale anti-Belgische koers (205),die hij twintig jaar lang had gevaren. Veel van zijn aanhangers (bijna de helft) haakten af. Hij ging nu ook de theorie verkondigen dat de Walen van oorsprong Germanen waren, met andere woorden geromaniseerde Dietsers. Dus op enkele jaren tijd (1934-1938) had Van Severen van het Verdinaso van een separatistische een belgicistische beweging gemaakt. Hij steunde ook de politiek van koning Leopold III – hij zag de koning als staatshoofd en zichzelf als dictator (234). Desalniettemin werd het Verdinaso van hogerhand niet vertrouwd en als een staatsgevaarlijke organisatie bekeken. Dat zou de leider fataal worden.
In april 1940 liet de Belgische overheid lijsten opmaken van staatsgevaarlijke personen. Bij een Duitse inval in België zouden ze naar Frankrijk gevoerd worden. Daaronder zaten Duitse Joden die uit Duitsland gevlucht waren, Belgische communisten, VNV- en Verdinaso-leden en rexisten (Waalse fascisten). Toen op 10 mei de Duitsers België binnenvielen, werd Van Severen door de Staatsveiligheid gearresteerd en op 15 mei naar Frankrijk weggevoerd. Ze kwamen terecht in Abbeville (dep. Somme). Op 20 mei werden ze door de in paniek geraakte Franse bewakers standrechtelijk geëxecuteerd. Met ‘het bloedbad van Abbeville’ eindigde het bewogen leven van de Vlaamse solidarist.
Er wordt veel geredetwist over de ware aard van Verdinaso, maar alles wijst erop dat het een volwaardige fascistische beweging was. Alleen heeft ze niet kunnen aantonen dat ze onder de bezetting een fatsoenlijke politiek zou hebben gevoerd.
De ‘politieke biografie’ van Joris Van Severen van de hand van Christian de Borchgrave is een voorbeeldige studie, goed gedocumenteerd, die heel uitvoerig ingaat op de rol van het katholicisme en de katholieke opvoeding van de solidarist en overtuigend de wortelen blootlegt van Van Severens Weltanschauung. Aanbevolen lectuur voor wie inzicht wil krijgen in de complexe jaren dertig.