Vrede aan de wereld ! (En toen werd het oorlog). Historische en culturele perspectieven op de Russisch-Oekraïense oorlog, (red.) Pieter Boulogne en Annemarie Gielen.

Vrede aan de wereld ! (En toen werd het oorlog). Historische en culturele perspectieven op de Russisch-Oekraïense oorlog, (red.) Pieter Boulogne en Annemarie Gielen. Leuven-Den Haag, Acco, 2025, 299 p.

Over de oorlog tussen Rusland en Oekraïne hebben we in de pers en in de nieuwsberichten al heel wat te horen gekregen, maar meestal ontbreekt het aan diepgaande analyse. Veel verder dan de dag voor dag opschuivende militaire verslaggeving reikt het nieuws niet. Dit boek wil daar verandering in brengen: het brengt bijdragen van dertien auteurs die elk op hun gebied specialist zijn en goed vertrouwd met de problematiek. Soms wordt wel beweerd dat je over deze oorlog niet onpartijdig kunt schrijven (10), maar dit is wel wat deze bundel doet. Dertien specialisten behandelen elk vanuit hun specialisatiegebied één aspect van de al jaren aanslepende animositeit (eufemistisch uitgedrukt) en oorlog tussen de twee buurlanden.

Iemand behandelt de vraag waarom Rusland Oekraïne heeft aangevallen? Natuurlijk een cruciale vraag, die o.i. beantwoord wordt vanuit het standpunt van machtspolitiek en invloedssferen (VSA, Rusland, China). De mening is hier dat de NAVO (te ver) opgerukt is naar het Oosten, richting Rusland, dat het daardoor Rusland geprovoceerd heeft, terwijl ooit beloofd zou zijn het niet te doen (waarover nogal wat versies bestaan). Oekraïne zou voor deze misstap en ter wille van vrede dan maar bereid moeten zijn een stuk van zijn grondgebied af te staan. Hiertegenover zou ik een parallel dter overdenking willen meegeven: stel dat de Geallieerden in de herfst van 1942 (nog voor het debacle van Stalingrad) aan Hitler voorgesteld zouden hebben: stop de oorlog en u krijgt Oekraïne. Moeilijk voorstelbaar. Een agressor die beloond wordt.

Verhelderend is de bijdrage over de relaties tussen Belarusland en Rusland, waarbij de repressie van Loekasjenka eigenlijk het pad heeft geëffend voor Poetins invasie. Heel informatief is de bijdrage over de kwestie van de Russische taal in Oekraïne en de zgn. ‘denazificatie’ als oorlogsdoel. Van alle steeds weer door Poetin opgesomde argumenten om de oorlog te beginnen (en die steeds veranderen) blijft geen spaander over. Ook het hoofdstuk over de Krim als twistappel maakt duidelijk waarom de Russen uitgerekend dit gebied wilden inpalmen: de Krim als kuuroord, als nostalgische plek van de kinderjaren van de huidige machthebbers. Dit is de keerzijde van de geopolitieke verklaring: de oorlogsvloot van Rusland in Sevastopol, de export van graan, de Zwarte Zee, etc. De Krim als brok Russische cultuur.

Ook het hoofdstuk over het literatuur- en cultuurbeleid onder Poetin maakt duidelijk dat de Russische autoriteiten, die in de jaren 2000-2022 nauwelijks belangstelling hadden voor de literatuur, opeens grote lezers werden, natuurlijk niet Poetin & C°, maar hun ijverige censoren die elk boek, elk concert en elke film nagaan op ideologische ketterijen (pacifisme, LGBT, het woord ‘oorlog’). Net als in de Sovjettijd worden de meelopers nu beloond (de wortel) en de criticasters bestraft (de stok). Hetzelfde geldt voor de film, die nu voor een groot deel op bestelling van de staat gemaakt wordt en in elk geval de goedkeuring van overheidswege moet krijgen om in de bioskopen vertoond te kunnen worden.

Helemaal bedroevend is de al in de Sovjettijd circulerende mop dat de toekomst van Rusland bekend is, maar het verleden onvoorspelbaar. De laatste jaren is de geschiedenis van Rusland en vooral die van de laatste 25 jaar herschreven in poetingevallige zin: alle heil komt van de geniale president die alleen maar aan het welzijn van zijn volk denkt. Net als in de jaren zestig-zeventig weigert een deel van de Russische intelligentsia nog in Rusland te publiceren en is de samizdat-literatuur (in het buitenland) in volle bloei. Maar meer en meer publicaties, ook e-boeken, podcasts en alternatieve, kritische radio- of tv-stations worden in Rusland gecensureerd. Alles lijkt erop te wijzen dat de situatie in vergelijking met de jaren zeventig verslechterd is en dat alleen dankzij het internet informatie nog enigszins toegankelijk is.

Belangrijk is ook de visie van Polen op de problematiek met het buurland, waarmee het vroeger ook al heel wat problemen had (interbellum). Moeilijk te beantwoorden is de vraag of en in welke mate de Russische bevolking de oorlog draagt. Kunnen we ons verlaten op enquêtes, zijn zelfs zogeheten anonieme bevragingen (o.a. via telefoon) betrouwbaar? Een vraag die vele Westerlingen blijft bezighouden. Tenslotte behandelt een econoom de niet onbelangrijke vraag of de westerse/Amerikaanse sancties tegen Rusland nut hebben. Het antwoord is eenduidig: ze zijn “van cruciaal belang en doen hun venijnige’ werk’ (254).

Het boek sluit af met een boeiende epiloog van redacteur Annemarie Gielen waaruit blijkt dat in weerwil van de repressie er toch nog protest tegen de oorlog in Rusland is, hoe groot de risico’s ook mogen zijn. Samen met de inleiding van redacteur Pieter Boulogne is dit afsluitende hoofdstuk boeiend en hoopgevend. Beide redacteurs zijn erin geslaagd een dozijn specialisten – historici, militair deskundigen, economisten, literatuur- en filmmensen – uit Vlaanderen en Nederland bijeen te brengen om inzicht te bieden in een complexe problematiek. Een lovenswaardig initiatief! De grote onderhandelaars van het ogenblik Donald Trump en Vladimir Poetin zouden de eerste lezers moeten zijn. En zonder twijfel zouden ze ook de eersten zijn die op schandelijke wijze door de mand vallen.