De Russische Idee. Twee eeuwen Russische filosofie. Amsterdam, Pegasus, 2026, 237 p. Samenstelling en vertaling Edgar Alberts en Alla Peeters-Podgaevskaja, voorwoord Evert van der Zweerde.

Na de brutale inval van Rusland in Oekraïne hebben nogal wat slavisten bezwaren gemaakt dat ze niet meer uit het Russisch zouden vertalen, omdat het de taal van de overweldiger is en dat ze zich nu op het Oekraïens zouden gaan werpen. Daar is weinig van te merken. Er wordt rustig door vertaald uit het Russisch, dat het twijfelachtige gedicht van Poesjkin Aan de lasteraars van Rusland of Brodski’s beschamende schotschrift op de Oekraïne heeft voortgebracht. Valt niet te ontkennen. Niet het Russisch is de vijand, het zijn de mensen die die taal spreken, of beter gezegd sommige mensen, en die moeten dan maar geboycot worden. Heeft men in het Westen na zes jaar desastreuze WO II het Duits (en Goethe of Heine) geweerd, omdat een besnorde leider die taal sprak ? Na vier jaar agressie en vernietiging doet het deugd om nog eens positieve geluiden te horen.

Die hebben enkele kenners van de Russische filosofie samengebracht in dit boek. Het bevat behalve een uitstekende historische schets (van Edgar Alberts) portretten van twaalf denkers die belangrijke dingen hebben gezegd over Rusland, de Russische mens en – een eeuwig thema voor de Russen – de verhouding tussen Russen en westerlingen. Heel wat ideeën die schril afsteken bij de nu aan de gang zijnde moord tegen het ‘broedervolk’ van Oekraïne.

Zo heb je het sympathieke pleidooi van ‘de rebel’ Kropotkin, die hard is voor de bestaande maatschappij : ‘Er is een revolutie nodig, een ingrijpende, nietsontziende revolutie. Onze op roof en bedrog gebaseerde economische structuren moeten op de schop.’ (141) De nog hevigere anarchist Bakoenin had hier trouwens ook niet misstaan. Er is de bekentenis van de grote moralist Tolstoj ‘Wat is mijn geloof ?’ met een innemend verzet tegen het kwaad en de Bijbelse boodschap van het vergelden van het kwaad door het goed (ook iets voor onze tijd ?). Wat wazig is het geloof in de heropstanding van de mensheid bij Fjodorov die gelooft dat de mens kan herrijzen. Verheven is de visie van Solovjov op de liefde en de echte betekenis ervan : niet de seksuele vereniging van twee mensen ; in tegenstelling tot die primaire opvatting ziet hij de liefde als ‘de spirituele kracht die bijdraagt aan de realisatie van de al-eenheid’ (188). En de filosoof van de emigratie Sjestov ziet vooral de tegenstelling tussen Athene en Jeruzalem, tussen rede en geloof, noodzaak en vrijheid. Het zal wel typisch Russisch zijn dat hij ons rationeel-wetenschappelijk denken, waar het Westen toch bij zweert, illusoir vindt en zelfs een bedreiging voor de menselijke ziel (216). Voor de ene een inspirerende, voor de andere een beangstigende gedachte. Een beetje apart staat m.i. de bekende studie van Tsjernysjevski over de esthetische verhouding van kunst tot de werkelijkheid (1855), die wellicht voor een groot deel het vulgaire realisme van veel Russische kunst heeft gestuurd.

Het eerste deel van het boek draait rond ‘de Russische idee’, een begrip dat al midden 19e eeuw ontstaan is en door Dostojevski uitgedragen werd (jaren 1860-80). De misère is begonnen met de hervormingen van Peter de Grote en de Filosofische Brief van Tsjaädajev (1836). Die vriend van Poesjkin en een van de meest ontwikkelde Russen van die tijd gooide heel de Russische cultuur op de vuilnisbelt en had bewondering voor de grote westerse beschaving (hij doet me denken aan Génie du christianisme van Chateaubriand). De tijdgenoten waren not amused, dit was echt een oorlogsverklaring. De auteur werd gek verklaard. De tijdgenoot Aleksandr Herzen schreef : ‘heel denkend Rusland was in rep en roer gebracht’ en ‘Iedereen was verbijsterd : de meerderheid was diep beledigd ; een man of tien gaf de auteur luid en vurig bijval.’ (21) Sindsdien is de discussie niet meer gaan liggen : moet Rusland nu het Westen volgen (imiteren, na-apen) of integendeel zijn eigen weg gaan ? Elke discussie die de laatste jaren in de Russische media wordt gevoerd, gaat daarover en Rusland raakt er niet over uitgepraat, en zal het wellicht ook nooit worden, zolang tenminste al de mooie idealen, voorstellen en wensdromen in dit boek beschreven niet gerealiseerd worden.

Vervelend is natuurlijk dat de ontdekking van de eigenheid van Rusland al vroeg heeft geleid tot de overtuiging dat het land deze beginselen nu maar moest gaan uitdragen – Rusland kreeg ineens een roeping en een lotsbestemming (22). Je zou venijnig kunnen zijn en zeggen dat Rusland één keer in zijn geschiedenis de kans heeft gekregen tenminste alle Slavische volkeren te verenigen (de droom van vele slavofielen en panslavisten in de 19e eeuw) – tussen 1945 en 1991, onder Sovjetheerschappij, maar ik vrees dat de andere Slavische volkeren daar allesbehalve goede herinneringen aan hebben en liefst zo ver mogelijk van Rusland verwijderd zijn en blijven.

Fascinerend zijn ook de ideeën van Danilevski die vond dat het ‘gewelddadige Europa’ de Slavische wereld vijandig gezind was en ‘de realisatie van het Slavische beschavingstype koste wat kost wilde dwarsbomen’ (25). Het doet allemaal zo actueel aan. Zou Poetin deze denkers dan toch gelezen hebben of hebben zijn ghostwriters het allemaal voor hem opgedolven ? Maar dan wel het negatieve, niet het positieve. Wat moeten we vinden van Dostojevski’s tirade in zijn beroemde Poesjkin-rede (1880), waarin hij stelt dat heel die tegenstelling oosters-westers niet deugt, ‘omdat onze lotsbestemming universaliteit is – niet een met het zwaard veroverde universaliteit, maar een bewerkstelligd door de kracht van broederschap en ons broederlijke streven naar de vereniging van alle mensen.’ (59)

Na 2022 is het pijnlijk dit te moeten lezen. Ook de ideeën van de invloedrijkste filosoof van de emigratie Berdjajev over het effect van de Grote Oorlog tussen de Germaanse wereld en de Slavische (WO I) en van de Russische Revolutie op het lot van Rusland en het Westen roept vele vragen op. Maar zijn visie op Rusland als een ‘onderdanig, vrouwelijk’ land (dat door de grote wereldoorlog mannelijk zal worden) en de vele tegenstellingen in de Russische ziel (these-antithese) zijn fascinerende lectuur.

Dit is een kleine greep uit de rijke bron van ideeën die in dit boek aangeboden worden. Vele ervan zullen ons kunnen inspireren, andere zullen ons iets meer inzicht bijbrengen in de ideeën die de Russische elite of tenminste enkele van de Kremlinbonzen gebruiken en misbruiken. Warm aanbevolen.