Michel Krielaars. Rivier van bloed. Een cultuurgeschiedenis van de Wolga. Amsterdam-Antwerpen, Pluim, 2026, 336 p.
Hoe begin je in godsnaam aan een verhaal over een rivier die door heel Rusland trekt ? Die zomaar eventjes 3.530 km lang is en door talloze steden loopt ? Die door Russen bezongen en gekoesterd wordt, maar ook het ‘allesverslindende wezen’ (145) kan zijn, die voor veel Russen de grootsheid van Rusland verbeeldt (160) en betoverend mooi kan zijn, maar die een wrede geschiedenis met zich mee tornt (201).
Michel Krielaars heeft een goede invalshoek gevonden : gewapend met de beroemde Baedeker gids (Baedeker’s Russland. Handbuch für Reisende) van 1892 begeeft hij zich op weg, op zoek naar wat er van het 19e-eeuwse Rusland nog overgebleven is. Op het eerste gezicht zijn dat vooral ruïnes (van paleizen, kerken, oude koopmanshuizen), maar de laatste twintig jaar is er veel gerestaureerd en heeft de orthodoxe kerk weer haar plaats opgeëist in de cultuur en het landschap van de Russen.
Die kerk komt dikwijls ter sprake en ik geloof niet één keer in gunstige zin. De kerk in Rusland heeft altijd de machthebbers gesteund, zelfs het twijfelachtige project van de vernietiging van Oekraïne sinds 2022. De kerk en haar patriarch zegent de tanks en de soldaten die naar het slagveld vertrekken (127). De kerk geeft een Stalin-kalender uit, voor de man dus die de kerk kapot heeft gemaakt en duizenden priesters heeft laten vermoorden of creperen in kampen. Kunnen we ons voorstellen dat in Duitsland een Hitler-Scheurkalender uitgegeven wordt ? De kerk doet mee aan de ‘witwasoperatie van de tiran’ (277), de poging van Poetin om de misdaden van Stalin onder de mat te vegen, te minimaliseren, zodat er alleen nog een heroïsch narratief overblijft van de man die de nazi’s verslagen heeft. De kerk propageert een doodscultus : wie sterft op het slagveld tegen de Oekraïense ‘fascisten’ komt in de hemel terecht. En tenslotte doet de Russische kerk mee aan het superioriteitsgevoel van de orthodoxie tegenover het katholicisme en protestantisme (314). Veel Russen steunen Poetin in zijn oorlog tegen Oekraïne ‘uit een misplaatst gevoel van patriottisme’ (154).
Krielaars ontmoet op zijn zoektocht het ‘onbeweeglijke’ Rusland dat op ‘allerlei mythes en ideeën’ is gebouwd die het land hebben gevormd tot wat het is : een imperiale macht die in 1991 in elkaar is gestort en die die neergang niet kan én wil accepteren (14). De ontdekking van de schoonheid van de rivier Volga speelde een belangrijke rol in de romantische visie : ‘Vergeleken met de architectonische schoonheid van het barokke Duitsland, het middeleeuwse Frankrijk en Engeland met hun eeuwenlang gecultiveerde landschappen, en het op Romeinse resten gefundeerde Italië, stelde Rusland weinig voor.’ (109) De Russische romantici begonnen nu hun landschap als superieur te beschouwen. Het minderwaardigheidscomplex was overwonnen ! (109)
Zoals wel meer slavisten is Krielaars gefascineerd geraakt door de personages van Dostojevski. Toen hij nog geen levende Rus te zien had gekregen, vond hij hen altijd ‘ongeloofwaardig’ en dacht dat het producten waren van de clichés over de ‘Russische ziel’, maar toen hij later lang door Rusland had gereisd kon hij er zich van vergewissen dat ze wel degelijk springlevend waren (12, 149). Het is goed dat Krielaars zich niet heeft laten leiden door Karel van het Reves alombekende anti-Dostojevski hysterie (‘samen met Toergenjev en Nabokov behoor ik tot die uitgelezen geesten die de pest hebben aan Dostojevski’), maar met empathie openstaat voor het anders-zijn van de Rus en het probeert te begrijpen, zonder de uitwassen ervan evenwel te willen goedpraten.
Wat Krielaars op zijn reis langs de Volga allemaal ziet en wie hij allemaal ontmoet, is verbluffend. Hij komt er sporen tegen van de 19e-eeuwse satiricus Saltykov-Sjtsjedrin (met zijn Geschiedenis van Domburg), de 18e-eeuwse maatschappijcriticus Radisjtsjev (die de mythe van Catherina de Grotes ‘prachtige Rusland’ onderuit haalde), de slachtpartij door Stalin van duizenden Poolse officieren in Mednoje, de anarchist Bakoenin (die een hekel had aan Marx), de fabelschrijver Krylov (de Russische Jean de La Fontaine), het bombastische Rivierstation in Moskou in Stalinistische Empire vanwaar zijn bootreis begint, de Nederlander Van Reesema (Lenin-vertaler en meeloper), de proletarische, ondoorgrondelijke schrijver Platonov, de utopist Tsjernysjevski (met zijn revolutionair boek Wat te doen van 1863, een vraag waar geen Rus het antwoord op heeft), de kapitalistische brouwer Smirnov (die de beroemdste vodka uitvond, maar zelf niet dronk), het Russische Atlantis (een onder water gezet dorp dat moest wijken voor een waterkrachtcentrale), de geweldige schilder Ilja Repin met zijn indrukwekkende schilderij De bootslepers van de Volga (in 2002 tentoongesteld in Groningen), de unieke Gogol met zijn onsterfelijk epos Dode zielen, de landschapsschilder Levitan en het schattige dorpje Pljos, de Russische Shakespeare van de koopmansstand Ostrovski, de proletarische schrijver Maksim Gorki (vriend en later tegenspeler van Lenin), de burgeroorlogsheld Tsjapajev (over wie talloze moppen bestaan), de aartsluie Gontsjarov met zijn onsterfelijke roman Oblomov (over een man die te lui is om op te staan en een vrouw lief te hebben), de conservatieve geschiedschrijver Karamzin (maar die wel de eerste liefdesverklaring aan het Westen schreef – Brieven van een Russische reiziger), de intrigerende modernistische schilder Petrov-Vodkin, de oorlogscorrespondent en -schrijver Simonov (die Krielaars ‘de Russische Harry Mulisch’ noemt, 257), de Tataarse schrijfster Jachina over de Volga-Duitsers en de collectivisering van haar geboorteland, de vooruitstrevende hervormer Stolypin (die het onder de laatste tsaar niet kon waarmaken en vermoord werd door terroristen), de oorlogsschrijver Grossman (die de sovjets voorzichtig vergeleek met de nazi’s), de idyllische schilder van het 19e-eeuwse koopmansleven Koestodiëv en tenslotte de futuristische dichter Chlebnikov, de lieveling van slavist prof. Willem Weststeijn.
Dit is nog niet ineens een volledige greep in het aanbod van interessante figuren die Krielaars ten tonele voert en waarover hij veel interessante én relevante details vertelt. Drie minder inspirerende personages, waaraan Krielaars een hekel heeft, zijn permanent aanwezig : Lenin, Stalin en Poetin. Dit alles wordt gelardeerd door prikkelende uitspraken die vaak laconiek zijn en de kern van de zaak raken. Over de idyllische beeldvorming over het land van de Sovjets : ‘Er lijkt alleen maar mooi weer te bestaan in Stalins Sovjet-Unie’ (52). Ostap Bender, de sympathieke oplichter in de roman De twaalf stoelen van Ilf en Petrov (1927, een van de cultboeken van het Sovjettijdperk), is niet alleen een personage van de jaren twintig, maar leeft nog altijd, ‘al maakt hij tegenwoordig deel uit van het lokale gezag’ (133). Krielaars citeert de Tataarse schrijfster Jachina, die tot de bevinding komt ‘dat ze in een getraumatiseerde samenleving leefde, die gegijzeld werd door een gewelddadig, verzwegen verleden’ (194). De wereldbeschouwing die Lenin erop na hield, noemt hij ‘zijn ideologie van haat’, waarmee hij ‘de basis zou leggen voor de latere terreur van de bolsjewieken’ (235). In een stadje aan de Volga doolt hij door de armoedige straten : ‘Houten huizen staan scheef weggezakt in de modder, lage flatgebouwen lijken net een bombardement achter de rug te hebben’ (253). Hij haalt Tsjechov aan die zelf de handen uit de mouwen stak om te helpen bij een hongersnood ; de filantropische dokter weet de falende hulp van overheidswege aan de ‘Russische duisternis’, ‘waarmee hij de ongrijpbare en vooral chaotische staat bedoelde, die iedereen in een permanente wolk van niet-weten leek te willen houden.’ (269) Hij heeft sympathie voor mensen zoals Sasja : ‘aardige, openhartige overlevers, die alles uit hun bestaan proberen te halen ondanks de vele tegenslagen op hun pad’ (301).
In zijn slotwoord bedankt de auteur zijn vrouw die hem ‘voor een al te gewelddadig geschiedverhaal heeft behoed’ (330). Dat is een rake omschrijving van het genre. Krielaars boek is geen naturalistische horrorstory, alhoewel heel wat episodes in de Russische geschiedenis daarom vragen. Voor wie iets wil begrijpen van het ‘andere’ Rusland dat door en door leeft met zijn verleden en zich maar weinig aan een betere toekomst weet op te trekken of er in elk geval niet aan werkt, is dit een aanrader. Hij bedankt ook zijn uitgever en redacteur die zijn enthousiasme ‘om steeds dieper in dat gewelddadige verleden te duiken op zijn tijd wisten te beteugelen’ (329). Voor mijn part hadden ze ook wat minder mogen beteugelen, want het verhaal van Krielaars is nooit op sensatie belust of gefantaseerd en had hier en daar gerust nog wat uitgediept mogen worden. Een goed verhaal mag vele bladzijden tellen.