Sören Urbansky & Martin Wagner. China en Rusland. Vier eeuwen gedeelde geschiedenis. Utrecht, Omniboek, 2025, 336 p. Titel origineel : ‘China und Russland’.

De ondertitel van het boek laat vermoeden dat de twee buurlanden een lange geschiedenis gemeen hebben, maar dat valt nog te bezien. De belangstelling voor dit thema was lang weggedeemsterd, vooral in de jaren zestig was die sterk door de ernstige grensconflicten tussen de beide landen en de hevige ideologische strijd tussen de beide communistische regimes, die overal in de wereld bedelden om belangstelling, zochten naar invloed en nogal wat aanhangers hadden. Na de val van de Sovjetunie en de totaal andere weg die China opging na de dood van Mao, verbleekte die belangstelling, maar sinds de oorlog tegen Oekraïne, die China steunt, is de nabuurschap van beide landen weer een actueel onderwerp.

De beide auteurs zijn kenners en hebben zich intensief beziggehouden met de betrekkingen tussen beide landen. De uitvoerige bibliografie legt daar getuigenis van af en maakt van dit boek een sterk verhaal.

Toen in 1644 de laatste Chinese dynastie (de Qing) gevestigd werd, zag Moskovië niet meteen een reden om er diplomaten naartoe te zenden, temeer daar ze het land én de taal niet kenden. Toen een Russische gezant uiteindelijk in 1656 in Peking arriveerde – na een reis van bijna twee jaar ! – werd hij daar door niemand ontvangen. Een keizerlijke audiëntie kon hij helemaal vergeten, omdat hij weigerde mee te doen aan de protocollaire rituelen van het Qing-hof (een drievoudige diepe buiging). Toen in 1643 een kozak als eerste Rus op de noordelijke oever van de Amoer stond, hadden de Chinezen nog niet goed door wie die Russen (kozakken) nu eigenlijk waren.

In 1674 stuurde Aleksej (de vader van Peter de Grote) de Grieks-Moldavische aristocraat Nicolae Milescu met een diplomatieke opdracht naar Peking. Hij wilde de basis leggen voor handel tussen de twee landen – pels voor zijde, maar Peking wilde liever de grensgeschillen bijleggen (aan de Amoer, het centrale toneel van de Chinees-Russische botsingen). Het niet naleven van de formaliteiten maakte van de zending een mislukking. In 1689 werd het Verdrag van Nertsjink getekend, opgesteld in het Latijn, Mantsjoe en Russisch, later ook vertaald naar het Chinees en Mongools. Beide partijen waren gelijkwaardig en legden grenzen vast, voor belangrijke landstreken wed een oplossing gewoonweg uitgesteld. In realiteit was het verdrag meer een intentieverklaring dan een bindend verdrag. De dunbevolkte grenzen bleven fluïde. Het tweede verdrag werd gesloten in 1727 in Kjachta en voorzag in een permanente orthodoxe kerk in Peking en vergemakkelijkte de handel. Er werd vooral in luxegoederen gehandeld : Russen ruilden pelzen (overvloedig aanwezig in Siberië) en leer tegen zijde, katoen en thee.

Halverwege de 19e eeuw werd de Amoer de grensrivier tussen China en Rusland. De Russen zagen deze gebieden als een wingewest, maar slaagden er niet in het te koloniseren. Toch zag de Russische elite de inbezitneming van de gebieden ten noorden van de Amoer en ten oosten van de Oessoeri als een succes, zomaar eventjes 729.000 km2. In 1860 werd Vladivostok gesticht (= ‘heerser van het Oosten’, strikt genomen een provocerende naam). Rusland maakte van de zwakte van China ten gevolge van de tegen Groot-Brittannië gevoerde Opiumoorlogen gebruik om de scheidingslijnen in het Verdrag van Nertsjinsk te verbreken en enorme gebieden te veroveren. Uiteraard zal dit later China het gevoel van vernedering geven.

Daar kwam nog de grote koloniale expansie van Rusland bij in het midden van de 19e eeuw, weliswaar niet overzee (zoals meestal van kolonies gedacht wordt), maar aan de periferie van het rijk. Rusland veroverde systematisch Centraal-Azië (Tasjkent, Samarkand, Boechara, Toerkestan), waardoor het een grote koloniale speler en dominante politieke macht in Centraal-Azië werd.

De gebieden die China verloor, liggen bij hen zwaar op de maag. Ook na de oprichting van de Volksrepubliek China in 1949 bleef die onenigheid bestaan. Na de dood van Mao liet China zijn aanspraken op delen van het Sovjetgebied in het Verre Oosten vallen. Over de ‘ongelijke verdragen’ werd een tijd gezwegen. Sinds 2004 is de gemeenschappelijke staatsgrens tussen de Russische Federatie en China bindend vastgelegd. Hoe dan ook werd Rusland in de 19e eeuw definitief een macht aan de kust van de Grote Oceaan. Voor China werd het een machtige tegenspeler.

In het verlengde van de Transsiberische spoorweg stichtten de Russen de stad Harbin (Charbin), de bestuurszetel van hun spoorlijn door Mantsjoerije, het laatste deel van de Trans-Siberische verbinding (de Chinese Oostelijke Spoorlijn). Vladivostok was het eindpunt aan de Grote Oceaan. Hier gold het Russisch recht. De Russen hadden er nu ook de oorlogshaven Port Arthur bij. Algauw ontwikkelde de stad zich tot de grootste Russische stad buiten de landsgrenzen, met meer dan 100.000 inwoners aan de vooravond van WO I. Meer dan een half miljoen mensen migreerden nu naar het Verre Oosten.

De Russen wantrouwden de Chinezen, zeker tijdens de boksersopstand (gericht tegen de buitenlanders), waarbij het orthodoxe missiehuis in Peking verwoest werd. Ineens zagen de bewoners van Blagovesjtsjenk ‘het gele gevaar’ opduiken. Door de daarop volgende pogrom (etnische zuivering) van 1900 kwamen duizenden Chinezen om het leven, het einde van een lange traditie van pragmatische terughoudendheid (89). Na de verwoesting van de in aanbouw zijnde Chinese Oostelijke Spoorlijn bezette Rusland het noordoosten van China met meer dan 100.000 man, wat uiteindelijk Japan provoceerde tot een openlijk conflict. In februari 1904 brak de Russisch-Japanse Oorlog uit, met veel nederlagen voor Rusland en wellicht het begin van de ondergang van het Russische imperium. Na de revoluties van 1917 vluchtten vele Witte emigranten naar Harbin. In 1920 verloren de Russen in Harbin hun extraterritoriale erkenning. De dag van vandaag blijft zo goed als niets over van deze ooit Russische stad in China.

In 1921 werd de Communistische Partij van China (CPC) opgericht, nadat in 1912 de Republiek China was geproclameerd. Maar de bolsjevieken kozen niet alleen de kant van de Chinese communisten, maar ook die van de nationalisten (de Kwomintang), die Stalin als de meest geschikte partner beschouwde. In 1924 annuleerden beide landen alle eerder gesloten overeenkomsten. Omdat de ‘wereldrevolutie’ in het Westen mislukt was, richtte de Sovjetunie nu haar aandacht op Azië. Maar Mao Zedong nam het marxisme-leninisme niet zomaar klakkeloos over. Hij wilde de Russische ideologie aanpassen aan de Chinese omstandigheden. Wegens het ontbreken van een industrieel proletariaat moest Mao nu inzetten op de boeren als steunpilaren van de toekomstige communistische macht. De Russische Harbiners werden gerepatrieerd en in 1931 bezette Japan heel Mantsjoerije, waardoor het een kolonie van Japan werd. In 1935 verkocht de USSR de Chinese Oostelijke Spoorlijn aan de Japanners.

In 1950 ondertekende de Sovjetunie en de jonge Volksrepubliek een Verdrag over Vriendschap, Bondgenootschap en Wederzijdse Hulp. Net als in West- en Oost-Duitsland liet de Sovjetunie zich ruim vergoeden voor de geboden hulp tijdens WO II : in Mantsjoerije plunderde het Sovjetleger in 1945 zowel Japanse als Chinese fabrieken. De eerste contacten tussen Mao en Stalin in Moskou verliepen stroef, Mao voelde zich genegeerd. Volgens sommigen zou de persoonlijke animositeit het bondgenootschap van in het begin gehypothekeerd hebben. Van het vriendschapsverdrag kwam weinig in huis – in China zag men de Sovjetunie als een ‘imperialistische’ macht. Dit werd mede in de hand gewerkt door de bezetting van Buiten-Mongolië, dat sinds 1924 als Mongoolse Volksrepubliek de eerste satellietstaat van Moskou werd en dus in feit een bufferstaat. Het gevolg van het bondgenootschap was dat China staliniseerde : op buitenlands en op economisch vlak (centraal geleide economie, vijfjarenplannen). Het was ook duidelijk dat de Sovjetunie geen handel dreef met China uit vriendschap, maar enkel uit eigenbelang (131) en de Chinezen zagen de Russen als hoogmoedig.

In de jaren vijftig werd het Russisch de eerste vreemde taal in China. De Koreaanse oorlog verstevigde wel de samenwerking tussen China en de USSR. Alles veranderde na de dood van Stalin (1953), omdat Mao diens opvolger Nikita Chroesjtsjov niet wilde erkennen en al helemaal niet kon instemmen met de destalinisering op het 20e en 22e partijcongres, waar Stalin van zijn voetstuk werd gehaald. Het officiële standpunt was dat ze de grondbeginselen van het Sovjetsysteem billijkten, maar de personencultus als fenomeen bekritiseerden, de uitwassen ervan zouden een exclusief Sovjetverschijnsel zijn. De kritiek van de Chinezen verzuurden de betrekkingen : de USSR trok haar specialisten terug, het einde van de vriendschappelijke betrekkingen was ingezet. In 1963 was de breuk definitief. Ook toen Chroesjtsjov afgezet werd (1964) en men Stalin begon te rehabiliteren, draaide Mao zijn kritiek op het ‘revisionisme’ van de Sovjets niet terug. In de recente partijgeschiedenis van de CPC ziet men de destalinisering als ‘de proloog van de perestrojka’ : het begin van het einde van de Sovjetunie (154). Mao gaf zijn volgelingen duidelijk te verstaan dat hij na zijn dood niet het lot van Stalin wilde ondergaan. Daarom lanceerde hij zijn laatste revolutie – de Chinese Culturele Revolutie met eindeloze uitingen van loyaliteit aan de Grote Stuurman. Toen hij tien jaar later stierf, waren tientallen miljoenen slachtoffers gevallen, maar de dictator werd niet van zijn troon gestoten.

In 1969 kwam het tot bloedige schermutselingen aan de grensrivier Oessoeri, op initiatief van Mao. Het ging zover dat Mao bereid was kernwapens in te zetten : ‘Zelfs als uiteindelijk de helft van de mensheid is uitgeroeid, zal de aarde gewoon blijven draaien.’ (168) De angst voor een derde wereldoorlog greep om zich heen, maar werkte ook de toenadering tussen China en de VS in de hand. Maar ook daarvoor waren er ernstige conflicten : in augustus 1967 werd de Sovjetambassade in Peking gemolesteerd en in augustus 1966 verwoestten Roodgardisten de Sint-Nicolaaskerk in Harbin, ‘een overblijfsel uit de tijd van het tsarendom, waarmee de Sovjetunie in de Chinese propaganda steeds meer werd vereenzelvigd.’ (176)

Na de dood van Mao in 1976 was de tijd rijp voor verzoening, maar het officiële standpunt bleef : kameraad Mao Zedong was een groots marxist, hij had fouten gemaakt, maar zijn verdiensten waren groter (187). Van een demaoïsering kon geen sprake zijn. Na mislukte toenaderingspogingen van Brezjnev had de pragmatische benadering van Andropov meer succes. In 1989 trok de nieuwe partijleider Gorbatsjov op staatsbezoek naar Peking, net op het moment dat daar massaal geprotesteerd werd op het Plein van de Hemelse Vrede. De beide landen lieten nu de ideologische meningsverschillen en territoriale aanspraken uit het verleden rusten (204). Kort daarna implodeerde het Sovjetmodel, maar de Volksrepubliek bleef autoritair, wel met een stijgende economie en dito levensstandaard, maar zonder politieke liberalisering. De fouten van Rusland wilden ze niet herhalen. Deze economische keuze heeft ervoor gezorgd dat China’s bruto binnenlands product tien keer zo groot is als dat van Rusland en het inkomen per hoofd van de bevolking hoger dan dat in Rusland. De laatste jaren wordt gevreesd voor een Chinees overwicht niet alleen in de grensgebieden, maar ook in Siberië.

Wat Rusland en China in de 21e eeuw verbindt, is hun afwijzing van de Amerikaanse hegemonie. Om het verloren gegane Sovjetimperium enigszins te vervangen, werd het idee van de Roesski Mir in het leven geroepen – de voormalige Sovjetrepublieken moeten binnen de invloed van Moskou blijven. Er werd ook gewerkt aan de SSO (Shanghai Samenwerkingsorganisatie) met Rusland, Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan, later kwamen daar Oezbekistan, India en Pakistan, Iran en Belarus bij. Hierin is China de dominerende macht. In 2001 ondertekenden Rusland en China een Vriendschapsverdrag, dat paradoxaal genoeg begint met de belofte dat ze geen kernoorlog tegen elkaar zullen voeren (227). Na 2012 kreeg China steeds meer invloed door zijn project van de Nieuwe Zijderoute, dat Azië met Europa moet verbinden. Het hoeft geen betoog dat zowel Rusland als al de landen waar de zijderoute zou passeren met Argusogen het project bekeken, bang als ze waren voor de economische en ideologische dominantie van de Volksrepubliek. Zo is China nu de belangrijkste handelspartner van de voormalige Sovjetrepublieken.

Met de grootschalige oorlog tegen Oekraïne veranderden de betrekkingen met China zowel politiek als economisch. Officieel is het een houding van ‘pro-Russische neutraliteit’ (het veroordeelt de oorlog niet en onthoudt zich bij stemmingen in de Verenigde Naties), maar het steunt Rusland economisch, geopolitiek en technologisch. ‘Economisch gezien is de oorlog een geschenk van Rusland aan China’ (247), in de hand gewerkt door de westerse sancties. Maar China blijft voorzichtig en wil zich niet uitsluitend aan Rusland binden. Het herhaalt wel het Kremlindiscours dat de NAVO de oorlog aangewakkerd zou hebben. Net zoals Rusland het over de Speciale Militaire Operatie heeft, spreekt Peking over de ‘Oekraïnecrisis’. Vele Russen vrezen dat Ruslands toenemende afhankelijkheid van China het land tot een vazalstaat van Peking zou kunnen maken.

In hun epiloog overlopen de auteurs de vier eeuwen betrekkingen tussen Rusland en China. De drie specifieke tijdperken hebben wonden nagelaten : het imperiale tijdperk (17-19e eeuw), het socialistische (20e) en het autoritaire van de 21e eeuw. Er wordt uiterst selectief omgegaan met het gedeelde verleden. De ‘grenzeloze vriendschap’ laat geen ruimte voor dialoog over wonden uit het verleden. Vooral de 20e eeuw was er een van gruwel en geweld. Allerlei verdragen (Nertsjinsk, Vriendschap) worden niet herdacht, want te geladen. Maar één ding is zeker : het uiteenvallen van de Sovjetunie liet bij de partijbonzen in Peking een schrikbeeld achter ‘waaraan ze nog steeds een extra reden ontlenen voor de repressieve handhaving van hun machtsmonopolie’ (266).

Er is maar één te betreuren aspect aan dit boek : er staan slechts enkele zwart-wit illustraties in, terwijl de beeldvorming van beide landen over elkaar zoveel interessant en sprekend materiaal had kunnen leveren. Een gemiste kans.